Van Omgevingswet tot kabelkeuze: hoe Bbl, NEN 1010, NPR 5310 en CPR samenhangen
Wie een elektrische installatie ontwerpt, begroot, bestelt, uitvoert of inspecteert, krijgt te maken met verschillende wetten, normen en productverklaringen. In de praktijk worden deze documenten nog regelmatig door elkaar gehaald. NEN 1010 wordt bijvoorbeeld vaak “de wet” genoemd, terwijl deze norm haar publiekrechtelijke betekenis krijgt doordat het Besluit bouwwerken leefomgeving ernaar verwijst. Ook betekent een CE-markering of CPR-classificatie niet automatisch dat een kabel in iedere ruimte van ieder gebouw mag worden toegepast.
Voor installatiebedrijven, adviseurs en opdrachtgevers is het daarom belangrijk om te begrijpen welke rol de Omgevingswet, het Bbl, de Omgevingsregeling, NEN 1010, NPR 5310 en de Europese Construction Products Regulation spelen.
Van wet naar technische uitvoering
De Omgevingswet vormt het wettelijke raamwerk voor de fysieke leefomgeving. De concrete technische regels voor gebouwen staan vooral in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Bbl. Daarin zijn minimumeisen opgenomen voor onder meer constructieve veiligheid, brandveiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en gebouwinstallaties.
De Omgevingsregeling vult dit stelsel verder in. Daarin wordt onder andere vastgelegd welke editie van een norm bij toepassing van het Bbl moet worden gebruikt. Dat is belangrijk, omdat de nieuwste uitgave van NEN 1010 niet automatisch dezelfde hoeft te zijn als de publiekrechtelijk aangewezen editie.
NEN 1010 bevat de technische veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties. NPR 5310 geeft daarbij praktische uitleg en toepassingsvoorbeelden. Een praktijkrichtlijn kan helpen bij ontwerp, uitvoering en inspectie, maar staat niet boven NEN 1010 en is geen zelfstandig wettelijk voorschrift.
Het Bbl gaat verder dan alleen NEN 1010
Voor nieuwbouw bepaalt artikel 4.199 Bbl dat een aanwezige laagspanningsvoorziening moet voldoen aan de aangewezen veiligheidsbepalingen uit NEN 1010. De norm behandelt onder meer bescherming tegen elektrische schok, overstroom, kortsluiting en thermische invloeden. Ook de keuze en aanleg van leidingsystemen, aarding, vereffening en verificatie maken daarvan deel uit.
Het Bbl stelt daarnaast eigen eisen die voor elektrotechnische installaties van belang zijn. Een bekend voorbeeld zijn de voorschriften voor laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.
Bij een nieuw woongebouw met meer dan tien parkeerplaatsen moeten in beginsel leidingdoorvoeren voor oplaadpunten naar ieder parkeervak worden aangebracht. Onder leidingdoorvoeren worden voorzieningen verstaan, zoals kabelgoten en loze leidingen, waardoor later voedings- en communicatiekabels kunnen worden aangelegd.
Bij nieuwe utiliteitsgebouwen, zoals kantoren en publiek toegankelijke gebouwen, met meer dan tien parkeerplaatsen moet ten minste één oplaadpunt aanwezig zijn. Daarnaast moet minimaal één op de vijf parkeerplaatsen zijn voorzien van een leidingdoorvoer of loze leiding.
Dit laat zien waarom alleen kennis van NEN 1010 niet voldoende is. Het Bbl kan bepalen dat een voorziening aanwezig moet zijn, terwijl NEN 1010 vervolgens bepaalt hoe deze voorziening elektrisch veilig moet worden uitgevoerd.
CPR: de vastgelegde productprestatie
De Europese Construction Products Regulation, CPR, regelt hoe de prestaties van bouwproducten worden bepaald, verklaard en van een CE-markering worden voorzien. Voor elektrische kabels die onder de geharmoniseerde productnorm EN 50575 vallen, stelt de fabrikant een Declaration of Performance, of DoP, op. Daarin staat onder meer de classificatie van het brandgedrag van de kabel.
Deze classificatie wordt bepaald volgens NEN-EN 13501-6. De hoofdklassen lopen van Aca tot en met Fca. Aanvullende aanduidingen geven informatie over rookontwikkeling (s), brandende deeltjes (d) en de zuurgraad of corrosiviteit van de verbrandingsgassen (a).
De CPR en de DoP geven daarmee aan welke prestatie het product heeft. Ze bepalen niet welke classificatie in een specifieke ruimte of in een bepaald gebouw moet worden toegepast. Die toepassingskeuze volgt uit het Bbl.
Het Bbl bepaalt de vereiste brand- en rookklasse
Naast eisen aan de elektrische veiligheid stelt het Bbl eisen aan het brand- en rookgedrag van elektrische leidingen die permanent in een bouwwerk worden aangebracht.
Voor nieuwbouw staan de eisen voor het beperken van de ontwikkeling van brand en rook in paragraaf 4.2.7 Bbl. Voor elektrische leidingen zijn deze nader uitgewerkt in artikel 4.45a. De vereiste brandklasse volgt uit tabel 4.42 en hangt af van de gebruiksfunctie, de plaats van de leiding in het gebouw en de vraag of deze aan de binnenlucht of buitenlucht grenst.
Voor leidingen die aan de binnenlucht grenzen, gelden naast de vereiste brandklasse ook eisen aan de rookklasse. Voor leidingen die aan de buitenlucht grenzen, geldt deze aanvullende rookklasse-eis niet.
Een leiding die volledig en blijvend in een constructie is opgenomen, bijvoorbeeld ingegoten in een betonnen wand, grenst niet aan de binnen- of buitenlucht. De betreffende classificatie-eisen uit tabel 4.42 zijn dan niet op die leiding van toepassing.
Waar de CPR vele brandklassen kent laat het Bbl in de vaste installatie eigenlijk alleen de brandklassen Dca, Cca en B2ca toe in als in aanraking met binnenlucht is er ook nog een eis aan de rookklasse: s1 of s2
De samenhang is daarmee duidelijk: de CPR-classificatie beschrijft de prestatie van de kabel, terwijl het Bbl bepaalt welke prestatie voor de concrete toepassing minimaal vereist is. Een kabel met een DoP en CE-markering mag dus rechtmatig op de markt zijn gebracht, maar kan nog steeds een te lage brand- of rookklasse hebben voor de plaats waar hij wordt toegepast.
De CE-markering geeft aan dat de fabrikant de prestaties volgens de toepasselijke Europese regels heeft verklaard. De geschiktheid voor een concrete plaats in een gebouw moet afzonderlijk aan de eisen van het Bbl worden getoetst.
Ook vaste stekerbare installaties vallen onder deze beoordeling
De Bbl-eisen gelden niet alleen voor conventioneel aangelegde kabels. Ook een geprefabriceerde kabel met installatieconnectoren die permanent deel uitmaakt van de gebouwinstallatie, is voor toepassing van het Bbl een elektrische leiding. Vaste stekerbare installatieleidingen moeten daarom eveneens voldoen aan de brand- en rookklasse die artikel 4.45a en tabel 4.42 voor de betreffende toepassing voorschrijven.
De documentatie is daarbij anders opgebouwd. De kabel die voor de stekerbare leiding wordt gebruikt, kan onder EN 50575 vallen en heeft dan een CPR-DoP van de kabelfabrikant. De productnorm voor installatieconnectoren, EN-IEC 61535, is echter niet als geharmoniseerde norm onder de CPR aangewezen. Voor het complete samengestelde stekerbare product wordt daarom niet uitsluitend op basis van EN-IEC 61535 een CPR-DoP opgesteld.
De leverancier moet de brand- en rookclassificatie van de geleverde stekerbare installatieleiding aantoonbaar vastleggen in zijn EU-conformiteitsverklaring, CE-verklaring of bijbehorende technische productdocumentatie. Daarbij moet duidelijk zijn op welke kabeluitvoering, artikelreeks en samenstelling de verklaring betrekking heeft.
Voor engineering, werkvoorbereiding en inkoop is het dus onvoldoende om alleen de CPR-klasse van de basiskabel te controleren. De opgegeven classificatie moet aantoonbaar gelden voor de daadwerkelijk bestelde en geleverde samengestelde stekerbare leiding.
Bij verbouw gelden voor leidingen de nieuwbouwklassen
Een belangrijke wijziging ten opzichte van het oude Bouwbesluit is de behandeling van elektrische leidingen bij verbouw.
Bij verbouw geldt volgens het Bbl vaak het rechtens verkregen niveau. Dat betekent in hoofdlijnen dat een bestaand bouwwerk door een verbouwing niet slechter mag worden dan het daarvoor was. Het Bbl kan echter expliciet een hoger prestatieniveau voorschrijven.
Voor elektrische leidingen gebeurt dat in artikel 5.12 Bbl. Voor de daarin bedoelde nieuw aangebrachte of vernieuwde elektrische leidingen wordt het prestatieniveau van artikel 4.45a aangestuurd. Daardoor moeten ook bij verbouw de toepasselijke nieuwbouweisen voor de brand- en rookklasse worden aangehouden.
Dit geldt zowel voor conventionele kabels als voor vaste stekerbare installatieleidingen.
De praktische consequentie is belangrijk. De redenering dat in een bestaand gebouw automatisch opnieuw dezelfde oude kabelklasse mag worden toegepast, is niet juist. Bij renovatie, uitbreiding of vervanging moet voor de nieuw aangebrachte of vernieuwde leiding opnieuw worden bepaald welke classificatie op grond van het Bbl is vereist.
NEN 1010 en het Bbl beantwoorden verschillende vragen
NEN 1010 bepaalt of een leiding vanuit elektrotechnisch oogpunt geschikt is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om nominale spanning en stroom, geleiderdoorsnede, aanlegmethode, warmteafvoer, beveiliging tegen overstroom en kortsluiting, externe invloeden en bescherming tegen elektrische schok.
Het Bbl bepaalt daarnaast welke bijdrage de leiding mag leveren aan de ontwikkeling van brand en rook.
Een kabel kan daardoor elektrisch correct zijn gekozen volgens NEN 1010, maar toch een onvoldoende CPR-classificatie hebben voor de plaats waar deze wordt aangebracht. Omgekeerd is een kabel met een hoge brandklasse niet automatisch elektrisch juist gedimensioneerd, beveiligd of geïnstalleerd.
NPR 5310 kan helpen bij de praktische uitleg van NEN 1010, maar verandert de eisen van het Bbl niet. Een praktijkvoorbeeld uit NPR 5310 kan evenmin een vereiste productverklaring of Bbl-classificatie vervangen.

Voor een goede kabel- of systeemkeuze moeten engineering, werkvoorbereiding en inkoop vanuit hetzelfde toetsingskader werken. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van nieuwbouw, verbouw of bestaande bouw. Vervolgens worden de gebruiksfunctie, de ligging van de leiding en de vereiste brand- en rookklasse bepaald.
Daarna moet worden gecontroleerd of de leiding elektrisch geschikt is volgens NEN 1010 en of de productdocumentatie aansluit op de werkelijk bestelde uitvoering. Bij een losse kabel gebeurt dat onder meer aan de hand van de DoP. Bij een stekerbare installatieleiding moet daarnaast de verklaring van de leverancier voor het samengestelde product worden gecontroleerd.
Artikelnummer, kabeltype, aderdoorsnede, brand- en rookclassificatie, productnorm en systeemfamilie horen daarom al tijdens engineering en bestelling te worden vastgelegd. Niet pas wanneer bij oplevering of inspectie om de documentatie wordt gevraagd.
Conclusie
De Omgevingswet vormt de wettelijke basis en het Bbl stelt de technische minimumeisen aan het bouwwerk. NEN 1010 regelt de elektrische veiligheid van de installatie en NPR 5310 ondersteunt de praktische toepassing daarvan. De CPR regelt hoe de prestaties van bouwproducten worden bepaald en verklaard.
Voor elektrische leidingen bepaalt het Bbl welke brand- en rookklasse voor de concrete toepassing nodig is. De CPR-classificatie en DoP geven aan welke prestatie een kabel heeft. Deze beoordeling geldt ook voor vaste stekerbare installatieleidingen. Omdat EN-IEC 61535 niet als geharmoniseerde norm onder de CPR is aangewezen, moet de leverancier de toepasselijke classificatie van het samengestelde stekerbare product aantoonbaar vastleggen in zijn conformiteitsverklaring en technische productdocumentatie.
Bij verbouw geldt bovendien voor de betreffende nieuw aangebrachte of vernieuwde leidingen het prestatieniveau van de nieuwbouweisen. Een juiste kabel- of systeemkeuze vraagt daarom altijd om een gecombineerde beoordeling van het Bbl, de CPR, NEN 1010, productnormen en leveranciersdocumentatie.
| Document | Hoofdfunctie |
| Omgevingswet | Wettelijke basis voor regels over de fysieke leefomgeving |
| Bbl | Technische minimumeisen voor bouwwerken |
| Omgevingsregeling | Aanwijzing en nadere toepassing van normen |
| NEN 1010 | Elektrische veiligheid van laagspanningsinstallaties |
| NPR 5310 | Praktische toelichting bij NEN 1010 |
| CPR | Markttoelating en verklaarde prestaties van bouwproducten |
Meer weten? Neem dan contact met ons op!




























































































































































